Prijsvraag voor een positief Rotterdam

Maarten Hajer, faculteitshoogleraar Urban Futures aan de Universiteit Utrecht, zegt in NRC dat de taal van de klimaatwetenschap buitengewoon ineffectief is in het tot stand brengen van verandering. Hij heeft daarom een prijsvraag bedacht om erachter te komen hoe steden zouden kunnen functioneren zonder fossiele brandstoffen.

En voor wie is die prijsvraag? Voor creatievelingen, zegt, Hajer:”De klimaatcrisis is voor mij echt een crisis van de verbeelding. Het is moeilijk om je een nieuwe stad voor te stellen. Mensen zoeken hun zekerheid voor de toekomst in het verleden. Dat is schijnbaar overzichtelijk. Maar een positief toekomstbeeld biedt mensen iets om naartoe te bewegen. Dat is van levensbelang, voor mensen, maar ook voor het bedrijfsleven. Onzekerheid is de dood in de pot voor de economie.”

Kun jij iets met Rotterdam? De prijsvraag start vandaag: http://www.postfossil.city/

 

 

Advertisements

De handen van Donald Trump: wat wil hij ermee zeggen?

Er wordt wel eens gezegd dat “body language” voor 97% deel uit maakt van je boodschap. Soms zegt men ook wel 55%. Allemaal onzin: je kunt lichaamstaal niet kwantificeren. Maar, dat wil niet zeggen dat lichaamstaal onbelangrijk is. Het blijkt bijvoorbeeld, dat TED-talks met goede handgebaren meer worden gewaardeerd. De Amerikaanse presidentskandidaat Trump heeft handgebaren die nogal opvallend zijn.  In deze blog zal ik er drie bespreken:

      1. “Het vingertje”
        vingertjeAls Trump over Clinton praat, dan wijst hij vaak naar haar met zijn wijsvinger, of ze zich nu in dezelfde ruimte bevindt of niet.Een opgeheven vingertje wordt meestal niet gewaardeerd door gesprekspartners en het publiek. Het wordt gezien als betweterig en beschuldigend. Normaal gezien proberen sprekers zo’n vingertje dan ook te vermijden.
        Door Trump wordt het waarschijnlijk gebruikt om uit te stralen dat hij controle heeft over de situatie. En over … Hilary.
      2. “De open armen”
        Republican presidential candidate Donald Trump speaks during a campaign stop at Farmington High School, Monday, Jan. 25, 2016, in Farmington, N.H. (AP Photo/John Minchillo)
        (AP Photo/John Minchillo)

        Als iemand zijn handpalmen naar je wendt, wordt dit vaak gezien als een gebaar van openheid. Immers, van oudsher betekent zoiets : ik heb geen wapens.

        Zo is het bij Trump waarschijnlijk niet bedoeld, volgens professor Beaty, die hoogleraar is in de psychologie en auteur van Rethinking Body Language
        Trump probeert, volgens Beaty,  een wij-gevoel te scheppen. Hij wil tonen dat hij tot dezelfde groep behoort als het publiek. Hij zegt “kijker, je en ik zitten op één lijn”

      3. “Het OK-gebaar”trump3 Wat Trump erg vaak doet, is het OK-gebaar met zijn duim en wijsvinger. Er wordt gezegd dat zo’n gebaar precisie en controle uitstraalt. Maar, het kan natuurlijk ook zijn dat hij het publiek probeert te beïnvloeden door hen steeds te confronteren met het gebaar voor OK. Op den duur ga je vanzelf Trump en OK met elkaar associëren.

Jammergenoeg kunnen we niet meten of de gebaren de waardering van Trump beïnvloedt, net als het deed bij de TED-talks. Zijn boodschap en persoon zijn al zo alom bekend, dat je geen nietsvermoedende mensen meer kunt vinden die objectief kunnen kijken naar zijn speeches. Ik kan hier dus ook geen advies op baseren …
Wat wel duidelijk is, is dat de gebaren gezien worden, bijvoorbeeld door Happy Toast die consequent vlaggetjes in de foto’s shopt. En, de debatten zijn ook gevoelig voor nasynchronisatie. De Guardian heeft daar zelfs een heel artikel aan gewijd, met een glansrol voor onze eigen Sander van de Pavert:

Waarom is het niet slim om vaak te zeggen dat je niet wil piepen?

Over televisiepresentator Johnny de Mol wordt geschreven dat hij niet klaagt over heftige omstandigheden tijdens het maken van zijn programma’s. Met die zin is iets geks. Je begrijpt de informatie in eerste instantie prima, maar wat van zo’n constructie overblijft op termijn, is juist het verband tussen ‘Johnny’ en ‘klagen over de omstandigheden’. De specifieke formulering verdwijnt.

In ons brein bevinden zich netwerken. Als je een woord hoort, worden veel andere woorden uit dat netwerk geactiveerd.Wie straat zegt, laat bij zijn toehoorders bijvoorbeeld ook de woorden “zebrapad” en “asfalt” oplichten. Ook als je zegt dat je niet op straat bent, blijft bij ons iets hangen van dat beeld. Dus, bij Johnny wordt dus iets vast gepind met “klagen” en “heftige omstandigheden”. Dat Johnny juist dit verband wil vermijden, beklijft niet.

Praeteritio
Het artikel gaat verder met: “Ik ben de laatste om te gaan piepen of zeuren dat ik het zwaar of heftig vind”.En verder vinden we in het artikel zinnen als “De presentator en acteur hoeft dan ook niet lang bij te komen van televisieopnames” en”Ik ga niet na de opnames in mijn hutje zitten”.
Wie zegt dat ‘ie het ergens niet over wilt hebben, doet het intussen toch. ‘Praeteritio’ heet deze  techniek officieel. Deze techniek is al eeuwen bekend in de retorica.  Letterlijk betekent praeteritio ‘voorbijgaan’. De praeteritio is heel geschikt om op een terloopse manier ergens de aandacht op te vestigen.

56991Nooit een bikkel
Wie weet wordt de praeteritio ingezet hier door De Mol. Hij heeft het in de laatste zinnen over de losse opvoeding, waar hij geen voorstander van is “Als je altijd achter de PlayStation mag, (..) dan word je nooit een bikkel.”
Wie weet is dat de crux en wil hij met zijn “niet zeuren” “niet bijkomen” en “niet klagen” juist stiekem zeggen: Johnny is een stoere jongen. Johnny is een bikkel. Eén advies Johnny: zeg dat dan gewoon, zonder een blik ontkenningen open te trekken. De netwerken zijn nu namelijk in actie gekomen en dat is onomkeerbaar. Het stuk zegt echt te vaak “niet”.

 

Bronnen:
http://tekstblad.nl/artikel/de-onbedoelde-kracht-van-de-ontkenning-zeg-niet-wat-je-n%C3%ADet-wilt

Storytelling werkt ook in het brein?

Storytelling is hip en hot op het moment. De verbindende kracht van verhalen wordt volop ingezet in communicatie en organisatieverandering. Idee erachter is, dat een interessant verhaal meer aandacht krijgt dan reclame. Je boodschap moet worden doorverteld, mond tot mond of via social media. “Het verhaal vaak het enige dat het ene product nog van het andere onderscheidt” schreef John Weich in 2013 in zijn boek Storytelling on Steroids.

Het verhaal komt ook terug in zelfhulpboeken, zoals You Are a Badass: How to Stop Doubting Your Greatness and Start Living an Awesome Life van Jen Sincero en op  de blog Zen Habits van Leo Babauta. Het gaat dan niet zozeer om verhaalstructuren of motieven, maar om het verhaal dat je jezelf vertelt.

Wat?

Huh?

Ja.

De idee is dat verhalen niet alleen spelen in onze buitenwereld en ons dagelijks leven, maar ook een belangrijke rol spelen in ons brein. Je vertelt je zelf de hele dag verhalen.
Onze hersenen houden van verhalen. We zoeken voortdurend samenhang tussen eenheden van informatie – en vinden die ook. De linkerhelft van ons brein is verantwoordelijk voor het spinnen van al die verhalen. Hier wordt de continue informatiestroom geordend en georganiseerd in een overzichtelijk geheel.

Omdat we een hekel hebben aan onzekerheid, willekeur en toeval, gaan we overal betekenis aan toedichten en overal verhalen van maken. Daarom bedenken we er van alles bij als iemand niet terugbelt, bijvoorbeeld. We construeren verhalen, gebaseerd op onze ervaringen, als interpretatie van de wereld om ons heen.
Dat kan prettig zijn: als je jezelf een verhaal vertelt over je lieve vrouw, dan maakt dit verhaal jou gelukkig. Je buurman vindt jouw vrouw misschien bazig en onbeleefd en dat past weer in zijn verhaal over de werkelijkheid.

Zo werkt het ook met de sportschool. Je vertelt je zelf het verhaal dat je er toch nooit naartoe gaat. Dat je nu eenmaal niet zo iemand bent die verandert in een sportheld. Hoe los je dit op? Lees het op de blog van Leo.

 

 

 

 

Storytelling in de geneeskunde:een nieuwe jas wordt langzaam aangetrokken

Dat storytelling hip is in de politiek, management en in het onderwijs, is niet nieuw. Maar, storytelling is ook in opmars in de geneeskunde. Het belang van narratieve geneeskunde wordt echter al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw erkend.  Sinds 2008 krijgt het langzaam een nieuw jasje.

Columbia University
Ziekenzorg die gebaseerd is op narrativiteit, daar gaat het om bij Narrative Medicine op Columbia University in New York. En met narrativiteit wordt dan bedoeld: met een verhaal in zich. Zorg wordt er menselijker van en effectiever. In de master kun je dan leren storytelling in te zetten in patiëntenzorg en het opleiden van nieuwe artsen en zorgverleners.
Narratieve geneeskunde kent een lange voorgeschiedenis. ‘Sinds de jaren zeventig maken we de fusie mee van patient-centered care en de toepassing van menswetenschappelijke inzichten: narratieve geneeskunde is daarvan de vrucht.’  aldus internist Rita Charon. In “Narrative Medicine, honoring the stories of illness” beschrijft zij hoe ze besefte dat het óók gaat om wat de aandoening met de patiënt doet: eenzaamheid, angst, verlies van eigenwaarde, maar ook, zoals in het boek beschreven: de angst om wat anderen kan overkomen.Er moet tijd zijn voor “het verhaal”. Juist de objectieve maten krijgen pas betekenis, zeggen Charon en andere beoefenaren van de narratieve geneeskunde, als ze worden gekoppeld en ingebed in de wijze waarop patiënten hun ziekte ‘subjectief’ beleven.

Buitenaf en binnenuit
Het is voor de arts niet alleen belangrijk om te verklaren waardoor iemand ziek wordt, maar evenzeer om te weten wat de patiënt ervaart.In een arts-patiënt-gesprek moeten twee verschillende manieren van kijken – van buitenaf of van binnenuit geïntegreerd worden.
De buitenzijde bestaat uit vragen, zoals: wat zijn de symptomen? Welke afwijkingen zijn er bij het lichamelijk onderzoek? Wat is de diagnose? De binnenkant is meer: Wat is de betekenis van zijn of haar gedrag? Een verhaal kan de arts meer inzicht verschaffen in wat de patiënt doormaakt.

Narratieve competenties
Hoe het ook zij: verhalen helpen  om op een gestructureerde manier naar het verhaal van de patiënt te luisteren en het klachtenpatroon te vertalen in een voor de patiënt acceptabel verhaal. Narrative medicine wil ook de ‘narratieve competentie’ van de zorgverlener zelf trainen: Hoe breng je de juiste chronologie aan? Hoe laat je ruimte voor onverwachte gebeurtenissen? Wat is de rol van de metafoor? Het kennen van de vele manieren waarop een verhaal  verteld kan worden, maakt het gesprek in de spreekkamer helderder. Er is nog een wereld te winnen en dat zou kunnen met verhaaltechnieken.

 

 

 

 

Kijk hier voor meer informatie over de master: http://sps.columbia.edu/narrative-medicine/tuition-and-financing