Waarom je jezelf af en toe zou moeten filmen

“Oh nee, mijn haar zit vreselijk”
“Djiezes … sta ik ECHT zo !!”
” Is dat echt hoe mijn stem klinkt?”

Zomaar een greep uit de reacties van studenten op het zien van filmpjes van hun presentaties.

Toch tonen presentatietrainers dat soort filmpjes niet om studenten te martelen of om eens lekker mensen een ongemakkelijk gevoel te geven.

Wij weten echt wel dat het niet leuk is.

Maar we doen het,  omdat je pas je lichaamshouding kunt aanpassen als je jezelf gezien hebt. Ik heb er geen bloedstollend bewijs voor, alleen ervaring: als je jezelf hebt zien friemelen met je handen, kun je het jezelf beter afleren dan wanneer een trainer het slechts tegen je gezegd heeft.

screen-shot-2017-02-21-at-13-55-34
gefilmd tijdens college

Dat is ook de reden dat ik zorg dat ik zelf van tijd tot tijd gefilmd word: als presentatietrainer moet ik scherp blijven, blijven snappen wat je kunt doen met je lichaamshouding, mezelf blijven verbeteren. En ik doe het ook uit solidariteit met mijn studenten: ook ik voel me ongemakkelijk als ik mezelf terugzie. Ook ik vind van mezelf dat ik een rare stem heb. Heus. Maar je moet daar voorbij leren kijken om te blijven leren. Probeer maar!

Goed nieuws over spreekangst: de cirkel kan doorbroken worden

Vaak hoor je zeggen: “je moet het hele publiek gewoon allemaal naakt voor je zien, dan gaat de spreekangst vanzelf over”. Ik ben zelf nooit zo dol op dat advies. Ik denk namelijk dat het nogal afleidt: voor je het weet gaat het idee van naakte mensen je speech overnemen en ben je meer bezig met je verzinsels dan met je eigen verhaal.
Maar, er zit een kern van waarheid in: hoe je naar je publiek kijkt, beïnvloedt je spreekangst. Als je ze ziet als gevaarlijke lieden, zal je angst toenemen. Dat lijkt logisch, maar het lijkt nu ook voorzichtig geconcludeerd te kunnen worden uit een onderzoek van de universiteiten van Boston en Peking.

onderzoek
Tijdens dit onderzoek, werd proefpersonen gevraagd een speech te houden van 3 minuten, via Skype. De proefpersonen waren in de veronderstelling dat ze dit deden voor een live publiek, maar ze zagen een filmpje van eerder opgenomen groepen mensen:

  • groep 1: vriendelijk, glimlachend en geïnteresseerd,
  • groep 2: gapend. fronsend en verveeld,
  • groep 3: neutrale gezichtsuitdrukkingen.

De oogbewegingen van de speechende proefpersonen werden gemeten, hun angst werd gemonitord door te letten op zweten en hartslag en hun werd gevraagd hoe bang ze zich voelden.

Social anxiety
Wat bleek? De mensen die hoog scoorden op “social anxiety” besteedden meer tijd aan het kijken naar het negatieve publiek en minder tijd aan het positieve. Mensen met weinig social anxiety keken juist méér naar de vriendelijke groep en minder naar de gapende,verveelde groep. Hoe meer aandacht de sprekers besteedden aan het negatieve publiek,  hoe angstiger ze werden.

Vicieuze cirkel
Wie (spreek)angst heeft, heeft ook nog eens de neiging naar verveelde mensen in het publiek te kijken.Spreekangst lijkt dus zichzelf indirect in stand te houden. Immers: angstige mensen lijken zelf hun angst in stand te houden door te kijken naar dingen waar ze bang van worden.
Maar, je kunt dit dan misschien ook omdraaien: wees je, als angstige spreker, bewust van het feit dat je -blijkbaar- onbewust factoren zoekt om dit in stand te houden. Doorbreek de cirkel en kijk dus expres níet naar de sjacherijnen in de zaal, maar concentreer je op iets neutraals of iets wat prettig is om naar te kijken.

 

Lees hier meer over het onderzoek: http://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/02699931.2015.1050359
Bron foto: TEDxFlanders 2014 NAKED  Audience.  Sara Smeekens

Keep the “pub” in public speaking

De grootste stressfactor bij presentaties, is dat mensen denken dat het iets onbekends is, iets wat ze nog niet onder de knie hebben.
En dat terwijl public speaking helemaal geen terra incognita is: je doet het heel de dag. Als je praat tegen iemand anders dan jezelf, ben je eigenlijk al aan het presenteren. Als je tegen je kind praat, tegen je kat of tegen je man. Zelfs als je bij de koffieautomaat vertelt hoe je weekend is geweest, ben je al bezig met stemgebruik, aanpassen aan je publiek en het geven van uitleg. Je kunt het al.

En er nog meer goed nieuws: je publiek is dus ook gewend aan het horen van conversationele toon. Zij verwachten dus geenszins van je dat je gaat voorlezen van je kaartjes. Je kunt die conversatie-toon dus prima vasthouden in je speech, presentatie of toespraak.

Natuurlijk: het is belangrijk om te letten op je volume en je tempo, dus een paar kleine aanpassingen kunnen geen kwaad, maar houd de “pub” in “public speaking”: praat alsof je het aan vrienden uitlegt bij een biertje of een kop koffie. Je zult dan automatisch vriendelijker overkomen én  je publiek zal jouw verhaal beter in zich opnemen als je  praat in plaats van voorleest.

Meer weten over deze aanpak: lees hier verder

Tip: de taalvlogs van Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is een taalkundige met ontembaar elan. Hij maakt vlogs waarin hij taalkundige fenomenen toelicht:

Deze gaat bijvoorbeeld over de vocal fry:

En deze over hoe schrijftaal en spreektaal steeds meer op elkaar gaan lijken:

De vlogs zijn slim en zitten goed in elkaar, zonder gelikt te zijn. Erg inspirerend, vind ik! Tip, dus!

4 redenen waarom academici zouden moeten bloggen

Of je nu een AIO bent, een door de wol geverfde onderzoeker, een docent, een practicumbegeleider, of een eerstejaarsstudent … ik vind dat je bloggen eens een kans zou moeten geven. Hierbij 4 redenen waarom ik vind dat academische schrijvers een stukje web moeten claimen.

    1.  Je blik verandert.

      Wie zijn gedachten aan papier of scherm toevertrouwt, moet zijn gedachten op een rijtje krijgen. Je lezer moet je immers wel snappen. Bloggen helpt je anders te denken, je af te vragen wat je publiek wil en snapt; een vaardigheid waar je veel aan kunt hebben bij het uitleggen van je onderzoek.Je gaat keuzes maken: wat is interessant om over te schrijven? Wat blijft beter achterwege? Wat is leuk voor de mensen? Hoe zal ik het uitleggen?  Die blikverandering is het leukst als je ‘m grotendeels zelf leert, eventueel met een beetje hulp.


    2. Je hebt iets te brengen. Echt wel.

      “Maar, wat heb ik nou te vertellen?”denken velen. Het is inderdaad goed om dat eerst te onderzoeken voor je zelf.
      Door – bijvoorbeeld –  twitterfeeds of facebookcomments te lezen, zie je wat er buiten de academische wereld wordt gedacht, over politiek, toeval en psychologie bijvoorbeeld. Misschien is het goed als jij daar een slim geluid aan toevoegt, een scherp antwoord op geeft? Een wetenschapper kan misverstanden uit de weg ruimen, juist informeren, gedachten veranderen en levens veranderen.
      Mind you: het lijkt me niet de bedoeling dat je “het volk” gaat vertellen hoe ze moeten leven. Mensen houden er niet van om te horen wat ze moeten doen en hoe ze hun leven moeten inrichten. Wetenschapscommunicatie moet niet slechts tot doel hebben te overtuigen. Je doet het niet om te laten zien hoe slim je wel niet bent.  Het gaat om interactie, uit je bubble stappen, iets brengen waar anderen iets aan hebben.

      Kijk bijvoorbeeld eens naar de blog van Ana: http://anasbananas.com/

      Ana is een jonge onderzoekster met een graad in de Biomedische Wetenschappen én in de Geneeskunde. Zij legt aan ons uit wat nu echt gezonde voeding is en ze beschouwt theorieën over eten, vanuit haar standpunt als dokter en wetenschapper. Vervolgens kun je  als lezer zelf je mening vormen. Of een lekker bananenbrood maken.
      Be like Ana. 🙂


    3.  Bloggen vergroot je zichtbaarheid.
      Misschien doe je het prachtigste onderzoek ooit … maar als je het niet vertelt, weten we het niet. We kunnen niet voor jou en je geweldige werk kiezen als we er nog nooit van gehoord hebben. Met Het Oog Op Morgen belt niet als ze je niet kennen. Dus ook al is je niche zou klein, claim ‘m op het internet.


    4. Je gaat er beter van schrijven en communiceren
      Schrijven is nu typisch zo’n vaardigheid die je moet trainen. Je verbetert je schrijfstijl als je vaker nadenkt over je publiek en het uitleggen van je onderzoek, het kiezen van het juiste woord. Die vaardigheid sijpelt weer door in de uitleg die je geeft aan derden, je benadering van studenten. Dus, je hebt er iets aan op vele fronten.


       

       

Misschien moeten we er een projectje van maken op de universiteit?

 

3 schrijftips van een échte pro

 

Hoe word en blijf je een goede onderzoeker? Met die vraag houdt Dr. Eva Lantsoght (30) zich onder andere bezig op haar blog phdtalk. In 2009 kwam ze naar Delft voor promotieonderzoek naar de sterkte van dragende betonnen platen. Ze blogde over wat een promotie inhield. “In het begin dacht ik dat mijn ouders en wat vriendinnen de enigen zouden zijn die het zouden lezen.” zegt ze in een interview met Delta, eerder dit jaar.  Snel ontdekten vele lezers haar blog, over de hele wereld. Per artikel is het aantal page views tenminste tweehonderd.

Eva’s voornaamste tips voor academisch schrijven:

1) tip 1: zorg voor een goed plan
Maak een blauwdruk en een inschatting van hoe veel tijd elk stuk van een paper je zal kosten. Je kunt dit opdelen in pomodoro sessions, als je dat prettig vindt. Maar, hoe het ook zij: zet het in je agenda, van uur tot uur. En eventueel kun je ook verder plannen van week tot week, maand tot maand en jaar tot jaar. Zo raak je het spoor niet bijster.

2)tip 2: houd je pen scherp
Blijf bezig je schrijfvaardigheid te verbeteren. Dus: blijf redigeren, oefen waar je niet goed in bent, wissel af. Word je bewust van de fouten die je maakt en maak er werk van om die af te leren.

skrive23) tip 3: beloon jezelf
Maak realistische doelen voor jezelf. En als je ze gehaald hebt, ga dan iets leuks doen. Je houdt het langer en beter vol als je jezelf niet uitput. Probeer geen sprinter te zijn, maar een marathonloper.

Meer lezen?

Hier vind je Eva’s
ebook: http://bookboon.com/en/top-phd-advice-from-start-to-defense-and-beyond-ebook
Hier vind je Eva’s blog: http://phdtalk.blogspot.nl/